header image
Home arrow Homeland arrow East of Eden arrow Passanten op de Krim
Passanten op de Krim PDF Print E-mail


Raisa serveert gevulde pannenkoekjes, blini’s, bij het ontbijt. ‘Kleintje pijn,’ zegt ze. Geen moeite betekent dat in haar beetje Nederlands. Haar andere gasten moeten zorgen voor hun eigen kost. Ze bedoelt de vakantiegangers die in de zomer van overal in Rusland uitzwermen over de Krim. Een beproeving volgens Raisa: ‘Geld in zak, wodka in buik en niks in kop.’ Raisa mag dat zeggen, ze is zelf Russische. Ze is jaren geleden uitgeweken naar België, maar ze had nog een buitenhuis op de Krim en dat heeft ze ingericht als pension voor zomergasten in de badplaats Feodosia. Enkele kamers rond een binnentuintje met wijnranken. Een plek voor simpel geluk, mijn vertrekpunt voor een tocht langs de zuidkust van het schiereiland aan de Zwarte Zee.  

Image
Zomergasten op de strandboulevard van de badplaats Feodosia op de Krim

De Krim heeft altijd al gelukzoekers aangelokt. In de Griekse mythologie wordt de konings-dochter Iphigeneia weggevoerd naar het barbaarse Tauris, de toenmalige benaming voor de Krim. Ze moest elke vreemdeling die daar opdook aan de goden offeren. Het belette niet dat andere nieuwkomers zich vestigden aan de Taurische kust. De oude Grieken stichtten er kolonies op de zuidkust. Hun opvolgers, de Byzantijnen, moesten in de Middeleeuwen wijken voor de invasies van Mongolen en Tataren. Het kanaat van de Krimtataren werd eind vijftiende eeuw afhankelijk van de Ottomaanse Turken. Drie eeuwen later kwamen de Russen. Onder het bewind van Catharina de Grote namen ze het hele schiereiland in bezit en stichtten er de centraal gelegen hoofdstad Simferopol. In 1954 werd de Krim bij de sovjetrepubliek Oekraïne gevoegd, maar dat maakte niet veel uit in het monolithisch blok dat de Sovjet-Unie was. Na de implosie van de USSR in 1991 lagen de zaken anders, het onafhankelijke Oekraïne kreeg problemen met de overwegend Russische bevolking op de Krim. Die eiste meer autonomie en het schiereiland werd een aparte republiek onder Oekraïens toezicht. De Russen op de Krim kunnen daarmee leven. Het is voor hen zonneklaar dat de Krim een Russische enclave is. 

Een houten loket in de buitenmuur van een bijgebouw op de luchthaven van Simferopol. Ashot onderhandelt met de zaakvoerder van het obscure bedrijfje die de telefonisch afgesproken prijs voor de huurwagen flink opdrijft. Ashot plooit niet, de zaakvoerder grommelt, ik krijg de autosleutel met een hoop paperassen toe. Mijn vrijgeleide voor een meerdaagse tocht in een opgepoetste Skoda.
   Ashot Barsegian is docent economie aan de staatsuniversiteit van Simferopol. Een vlotte Armeniër die van aanpakken weet. De Rus achter het loket roept hem nog wat na, Ashot reageert niet. Tsjornye, zwarten, is het Russische scheldwoord voor niet-blanken. Moslims, migranten uit de Kaukasus, alle permanent gebruinde medemensen zijn vreemd volk in Russische ogen, ze horen niet thuis op de Krim. Orthodoxe Russen voelen zich er heer en meester. Hun plomp racisme lijkt doodnormaal: erfelijk belast met zijn eigen despotische geschiedenis, is de modale Rus iemand die niet-Russen naar de verdoemenis vloekt.
   Ashot wijst naar de heuvels als ik hem in de huurwagen naar Simferopol terugrij. De kale hellingen zijn bezaaid met kleine vierkante hokken in grijsbruine baksteen,  de meeste zonder dak. ‘Krimtataren,’ zegt Ashot. ‘Ze nemen de gronden in beslag, in één nacht metselen ze die krotten en dan zeggen ze: wij zijn de eigenaars, we hebben hier huizen en we verkopen ons bezit aan de meest biedende. Klaar!’
   Het is oud zeer dat zich nu wreekt. De Krimtataren die onder Russisch gezag op de Krim waren gebleven, werden in 1944 gebrandmerkt als collaborateurs met de invasietroepen van Nazi-Duitsland. Stalin liet de hele bevolkingsgroep, mannen, vrouwen en kinderen, deporteren naar Centraal Azië. Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie mochten de Krimtataren terugkeren en dat deden ze ook. Ze eisten hun oude woonplaatsen op en metselden primitieve bouwsels op de braakliggende gronden als even zovele bakstenen bewijzen van hun eigendomsrecht. Sommigen verdienden goed geld met de verkoop aan dubieuze makelaars in vastgoed.
   ‘Aan de zuidkust is de grond goud waard voor projectontwikkelaars,’ zegt Ashot. ‘Je ziet daar in de buurt van de badplaatsen nog meer van die spooksites. Nu wordt er opgetreden. Je ziet het zelf: de keten zijn verlaten en de Tataren zijn verjaagd, ze moeten hun shit holes maar ergens anders gaan neerpoten.’
   We nemen afscheid in het stadscentrum van Simferopol. Een knooppunt nog grotendeels in sovjetstijl, met protserige overheidsgebouwen en brede rechte wegen. Het grote verschil met vroeger is de waanzinnige verkeerschaos die de rotondes overspoelt en het hele centrum versmacht. Ashot vindt het allemaal best. Hij heeft zich pas een blitse wagen aangeschaft, een tweedehands BMW. Hij is een klein beetje tsjornyj, geen echte Rus, maar ach, je kan niet alles hebben op de Krim.

Tussen Jalta en Balaklava

Image
RiviŤra van Hades - de promenade van Jalta in septemberlicht

De Russische sovjetschrijver Konstantin Paustovski hield niet van Jalta. Hij kwam graag naar de Krim, de grillige zuidkust die de koperglans van de Oudheid uitstraalde fascineerde hem en hij beschreef dat door de eeuwen gepolijste landschap in geuren en kleuren. Jalta was anders, bedorven door het groteske gewemel van de passanten. Anton Tsjechov zag in de late tsarentijd mondaine dames met hun hondjes flaneren over de promenade van het luxueuze kuuroord en Paustovski ergerde zich een halve eeuw later aan nog platvloerser sovjettoerisme. De badplaats liep toen vol dikbuikige verlofgangers in korte flodderbroeken en giechelende juffrouwen met o-benen. Het zeewater rook er naar doorweekte sigarettenpeuken en rottende meloenschillen.
   Ik loop over het glimmende plaveisel onder de palmbomen langs de promenade.  Jalta is gladgeschuurd. De dame met het hondje die Tsjechov inspireerde is al lang verdwenen, net zoals Paustovski’s slodderige sovjetburgers. Het is september, late zomergasten slenteren af en aan, niemand heeft oog voor een nieuw gezicht op de boulevard. Bij het uiteinde van de boulevard staat een ronde pseudo-tempel: Pizza in grote neonletters boven de zuilen. Aan de rand van het plein staat het standbeeld van Lenin. Zijn granieten arm wijst de weg naar paradijselijk rode verte. Men loopt hem achteloos voorbij. Er is nu pizza in kartonnen dozen. 

Ten westen van Jalta ligt het Vorontsov Paleis. Een bizar negentiende-eeuws bouwwerk voor de schatrijke landeigenaar Vorontsov, destijds tsaristisch gouverneur van de Krim. Eén gevel is in Schotse neogotische stijl, de andere aan de zeezijde oogt Arabisch oriëntaals. Het grote terras aan de zeekant biedt een schitterend uitzicht over de rotskust. Voor het perfecte cliché hoef ik niet eens zo ver te kijken. Op de rand van een fontein poseert een kortgerokt en diep gedecolleteerd Russisch fotomodel met een lange voile die boven haar geheven armen naar achteren zweeft in de koele zeebries.
   Ik sluit me aan bij een groep die in hoog tempo door de ruime en luxueus gemeubelde vertrekken van de residentie wordt geleid. Een grote zwartwitfoto van Winston Churchill met sigaar en in onberispelijk pak herinnert eraan dat de Britse staatsman hier logeerde tijdens de Jalta Conferentie met Stalin en Roosevelt in 1945. Hij keek naar een nors ontwakende marmeren leeuwenkop langs de staatsietrap op het terras en vond dat die op hem leek. Churchill sliep slecht in het paleis, hij noemde de Krim de Rivièra van Hades. Het was februari, Churchills gemopper over een helse kust sloeg niet op tropische hitte, maar eerder op de duistere intriges van Stalin. Niet ver hiervandaan werd geschiedenis geschreven, vanuit de losse pols en met verstrekkende gevolgen. Het gebeurde in het Livadia Paleis in de schaduw van een park boven de steile kust. Dat is de plek waar de verhitte Churchill, de terminaal zieke Amerikaanse president Roosevelt en de pijp rokende Stalin het naoorlogse Europa op een simpel papiertje verdeelden in een westerse helft en een communistisch Oostblok.    

Image
Zeeterras van het paleis van Vorontsov ten westen van Jalta

Hebben we niet, zeggen de verkopers als ik in de stalletjes in de havenkom van Balaklava vraag naar een zwarte bivakmuts. Nooit van gehoord blijkbaar, terwijl dit toch dé plek is waar je zo’n ding zou verwachten. Midden negentiende eeuw tijdens de Krimoorlog belegerden Britse, Franse en Turkse troepen de strategische havenstad Sebastopol. De Britten gebruikten het vissersdorp Balaklava op het zuidwestelijke uiteinde van de Krim als aanvoerhaven. De bevoorrading liep mank. De Britse soldaten hadden geen tenten en geen winteruniformen, zieken en gewonden werden afgevoerd naar Istanbul, waar de aristocratische verpleegster Florence Nightingale, de lady met de lantaarn, haar nachtelijke rondes deed in een geïmproviseerd hospitaal. In de Britse pers verschenen striemende aanklachten tegen die wantoestanden. Britse dames breiden warme mutsen voor het verkleumde soldatenvolk op de Krim. Dat type muts wordt sindsdien in het Engels balaclava genoemd.
   Balaklava bewaart recenter verleden. In de rotswand aan de overkant van de ingesloten baai ligt een grottencomplex verscholen onder de waterspiegel. Het was een geheime sovjetbasis voor atoomduikboten. Strikt verboden militaire zone in communistisch Rusland, nu een attractie voor bezoekers die rillend in hun zomerplunje worden rondgeleid in de tunnels, werkplaatsen en galerijen van de ontmantelde basis. Balaclavamutsen zouden wat warmte kunnen geven, maar die zijn hier nergens te krijgen.

Ik volg de route door de heuvels naar Sebastopol. Halverwege verrijst naast de weg een hoge zuil bekroond met de tweekoppige adelaar van het Russische imperium. Het monument herdenkt de slag bij Balaklava tijdens de Krimoorlog, toen een Russische tegenaanval de Britse belegeraars dreigde af te snijden van hun aanvoerhaven. Bovenaan de trappen naar de zuil kijk ik in de diepte naar de Vallei van de Dood. Dat is nu een uitgestrekte wijngaard in het dal tussen de heuvels. Hier vond in de herfst van 1854 de noodlottige cavalerieaanval plaats die de Britse geschiedenis is ingegaan als de Charge van de Lichte Brigade. Zeshonderd ruiters kregen het beval vijandelijk geschut te gaan heroveren. Ze galoppeerden in volle vaart de verkeerde richting uit. Spervuur van kanonnen op de heuvels trof hen in de flanken. Paarden tuimelden neer en sleurden hun berijders mee in de bloederige chaos. De brigade maakte rechtsomkeer en moest opnieuw de moordende beschietingen trotseren. Een groot aantal cavaleristen overleefde de slachtpartij niet. De Nobele Zeshonderd, dat was de eretitel die de ruiters van de Lichte Brigade kregen in Britse romantische lyriek. Nobel, maar vooral kortzichtig en te licht bevonden.

Ik steek de weg over, ik wandel tussen de rijen wijnstokken. Plots is er geronk. Over de veldweg in de wijngaard komt een gammele Lada aanhobbelen. Hij stopt, twee militiemannen in camouflage-uniform stappen uit. Wat ik hier te zoeken heb, vraagt de ene. Ik wijs naar het monument:  Krimoorlog, Lichte Brigade. De militieman haalt de schouders op. De andere grijnst een gouden hoektand bloot. Druiven, zegt hij, druiven stelen, dat is wat vreemden hier komen doen. Ik zweer dat ik nergens druiven heb, kijk maar. Ze houden het verder voor bekeken. De wijngaard is staatseigendom, het is hun job het terrein te bewaken. Eén foto en dan wegwezen! Ze keren de Lada en rijden terug. Ik kijk naar de druiventrossen, de wijnstokken, de rode aarde eronder. Het is historische  grond, in bloed gedrenkt. Ik vraag me af of dat betere wijn oplevert. 

Zondag in Sebastopol

Image
Russische matrozen van de Zwarte Zeevloot in Sebastopol

Het grootste deel van de voorbije eeuw was Sebastopol een gesloten havenstad. onbereikbaar voor buitenlanders. Nu belemmeren enkel nog wegenwerken en lakse verkeerspolitie de vlotte doorgang naar het centrum. Hoog boven zee, op de rotskust aan de westelijke stadsrand, liggen de verbrokkelde grondvesten van het Oud-Griekse Chersonesos. Naast de antieke ruïnes schittert de gouden koepel van de gerestaureerde kathedraal van Sint-Vladimir. Volgens de overlevering werd eind negende eeuw vorst Vladimir van Kiev op die plek gedoopt; zo begon de bekering van de Slavische Russen tot het orthodoxe christendom. Vorst Vladimir had zich ook laten informeren over de islam, maar toen hij vernam dat alcohol verboden was voor moslims, was zijn keuze snel gemaakt. Drinken is ons grootste plezier, zou hij hebben gezegd, dat kunnen we niet opgeven. Een apocrief verhaal dat ik graag wil geloven.

Het is zondagmiddag. Sebastopol ligt als een aquarel in wit en blauw gepenseeld langs de uitstulpingen en inhammen van een langgerekte baai. Matrozen van de Zwarte Zeevloot slenteren goedgemutst – witte matrozenmutsen met zwarte linten achteraan – over de boulevard aan de waterkant bij het Nachimovplein. Dat plein, met het standbeeld van admiraal Nachimov die sneuvelde bij de verdediging van Sebastopol tijdens de Krimoorlog, is het zeemanshart van de stad. Een stad van en voor Russen, ze willen weinig of niets te maken hebben met Oekraïne en nergens anders op de Krim houden ze zo sterk vast aan hun nationale trots.
   Sebastopol heeft de eretitel van Heldenstad duur betaald. Tijdens de Krimoorlog werd de stad verwoest door Britse en Franse troepen. Tijdens de burgeroorlog na de Russische revolutie van 1917 heeft ze honger geleden. Krimtataren en berooide vluchtelingen bedelden toen in de winterkoude voor een korst brood, er groeide gras op de Historische Boulevard in het centrum. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen de Duitsers. Hitlers horden, zo werden de Duitse invasietroepen genoemd in de sovjettijd, omsingelden de stad en schoten haar tot puin. 

Image
Zondag op het Nachimovplein - het zeemanshart van Sebastopol

Sebastopol is volledig heropgebouwd. Gerestaureerde historische gebouwen,  verzorgde parken en lanen, een schoongeveegd centrum. Nergens lege wodkaflessen tegen afbladderende gevels. Feestelijk uitgedoste verwanten en vrienden lopen achter een jong bruidspaar aan over het Nachimovplein. Bruid en bruidegom laten zich in theatrale pose fotograferen tegen een witmarmeren zuil van de colonnade die het jaartal 1846 draagt. Toen was Sebastopol al uitgebouwd tot marinebasis en thuishaven van de Russische Zwarte Zeevloot. Imposante trappen leiden van de colonnade naar de Grafskaja Kade, waar rondslenterend volk geniet van het schitterende uitzicht over het water en het stadsdeel aan de noordzijde. Wat verderop liggen kruisers van de Russische marine voor anker in het rimpelloze blauw van de baai. De Zwarte Zeevloot mag zijn thuishaven houden, Oekraïne heeft de overeenkomst die de marinebasis aan Rusland verpacht met een paar decennia verlengd.

In het plantsoen op Matroski Square, het Zeemansplein, zitten oudere Russische mannen te schaken. De spelers buigen zich over de borden op de houten tafels onder de bomen, anderen kijken toe, men zwijgt. Peinzende gezichten, witte petten, zomerhemden met korte mouwen. Gepensioneerde Russen hebben veel over zich heen gekregen, ze praten niet zo makkelijk vrijuit. Niemand let op de buitenlander die even stilstaat bij hun zondagmiddag in de schaduw.
   Ik rij landinwaarts. In de diepte achter me ligt Sebastopol als een opengebroken zeeschelp. Het schemert. De baai in de rode glans van de ondergaande zon. Warm avondlicht, het tikken van hoge hakken op het Nachimovplein. Ik had langer willen blijven.

Krimtataren in goede en kwade dagen  

Bachtsjisaraj ligt landinwaarts, halverwege tussen Sebastopol en Simferopol. De klankkleur maakt het al duidelijk: Sebastopol en Simferopol zijn Russisch met Grieks-Byzantijnse wortels; Bachtsjisaraj of Tuinpaleis roept Aziatische verte op. Een groene vallei waar bergwater klatert tussen witgepleisterde huizen. Hier vestigden de Krimtataren begin zestiende eeuw de nieuwe hoofdplaats van hun vorstendom.  De voormalige residentie van de kans, de Tataarse vorsten op de Krim, is nu exotisch decor. Slanke minaretten, het ruime binnenplein aangelegd als een oosterse tuin, schemerdonkere zalen met antieke meubels en uitgestalde staatsiekledij. Alexander Poesjkin, de schatbewaarder van de Russische romantiek, was de eerste die in de negentiende eeuw rozen neerlegde op de Fontein der Tranen. Hij was ontroerd door het verhaal van de laatste Tataarse kan. Die had een ravissante Poolse maagd ontvoerd en in zijn harem ondergebracht, maar ze wees hem af en stierf. De vorst kwijnde weg van verdriet. De fontein moest zijn tranen vereeuwigen in ornamenteel marmer met kelkvormige bekkens waarin water druppelt. De rode roos van de liefde ligt er naast de gele van het gebroken hart.

Image
Aliye Restaurant
Op het terras van restaurant Aliye in de hoofdstraat van Bachtsjisaraj rollen de dochters van Edem pelmeni, deegballetjes gevuld met lamsgehakt. Edem, de uitbater van het restaurant, is een pezige Krimtataar. Hij giet gitzwarte Turkse koffie uit een koperen kannetje in mijn kopje en komt bij me zitten.
   ‘De Russen moeten ons niet,’ zegt Edem. ‘We zijn anders, moslims van geloof en bruin van huid, en we waren hier eerder dan zij. De communisten hebben ons in 1944 als honden weggejaagd en onze dorpen platgebrand. Meer dan de helft van mijn familie is omgebracht tijdens de deportaties. Ze hoorden bij de laatste slachtoffers, toen de Arabat landengte werd ontruimd.’ 

Ik weet wat hij bedoelt, ik ben er geweest. Vanuit Feodosia is het een goed uur rijden naar Arabatska Spit, een smalle landtong tussen zoutmeren en de Zee van Azov op het oostelijke uiteinde van de Krim. Het einde van de wereld. Wolkenvelden boven verschroeid grasland, kiezelstranden in de greep van zee en wind, honderd kilometer verlatenheid tot ver achter de horizon. Aan de zeekant van de landengte ligt een enorme ruïne. De metersdikke walmuren zijn de resten van een Ottomaans fort. De Turkse overheersers bouwden het in de zeventiende eeuw om de invallen van opstandige kozakken en Aziatische nomaden af te weren. Toen Russische troepen een eeuw later het Arabat fort bestormden en vervolgens de hele Krim in bezit namen, raakte de vesting in verval.
   Ik ben naar de bovenkant van het fort geklommen. Voor het ruisen van de wind tussen het puin en het weidse uitzicht over de Zee van Azov. Verderop op de landtong ligt de nederzetting Soliane. Daar heb ik de wagen moeten keren, de grindweg gaat er over in een mulle zandpiste. Geen mens te bespeuren in Soliane. Enkele lukraak verspreide woningen met zinken daken, een witgekalkte gedenkplaat met een rode ster, grijze korsten op de percelen voor zoutwinning. De laatste episode van de tragedie die de Krimtataren Sürgün, Verbanning, noemen heeft zich hier en noordelijker op de landtong afgespeeld. 

Image
Turkse vesting op de landtong Arabatska Spit aan de Zee van Azov

Juli 1944, toen de Tataarse bevoking van de Krim al was samengedreven in treinen en gedeporteerd, bleek dat Stalins beulsknechten die belast waren met de operatie de Krimtataren op de Arabat landengte waren vergeten. Ze leefden van de visserij en de zoutwinning, ver van alles en iedereen. Dat mocht niet baten. Een Stalinistisch veiligheidscommando kreeg één etmaal om het werk af te maken. Ze haalden de Tataarse kustdorpen op de landengte leeg, ze verzamelden de bewoners op een oude boot en brachten die in de Zee van Azov tot zinken. Er waren geen overlevenden.
   Edem leunt achterover. ‘Het waren vreselijke tijden,’ zegt hij. ‘Maar nu zijn we terug op de Krim, waar we eeuwenlang hebben gewoond, en we willen hier rustig leven, zoals vroeger. De Russen zeggen dat we gronden bezetten en huizen opkopen. Het zijn onze oude familiegronden, we hebben die nodig voor onze grote gezinnen. Is het soms een misdaad dat onze gemeenschap zo snel aangroeit? De Russen zuipen zich impotent, ze moeten zelf maar meer kinderen maken.’
   Het wordt laat, tijd om op te stappen, ik heb nog een eind te lopen naar Tsjoefoet Kale. ‘Naar de rots van de joden,’ zegt Edem. ‘Dat is voorbij, die komen niet meer terug.’

De stilte van de Jodenrots

Image
Karaieten op de Krim 19de eeuw
De zuidkust van de Krim is zomerland aan zee, op goed geluk gemaakt op de rustdag van de schepping. Wie dat kan geloven, komt ver. De Karaïeten zijn van ver gekomen om hier te leven als minderheid in het kanaat van de Krimtataten. Ik heb het makkelijker. Vanuit Bachtsjisaraj is het slechts een klein uur lopen naar het rotsplateau Tsjoefoet Kale, dat als een natuurlijke vesting oprijst boven beboste hellingen. 
   De Krimtataten versterkten het plateau toen ze zich hier vestigden. In de late Middeleeuwen lieten ze uitheemse ambachtslui een eigen nederzetting op Tsjoefoet Kale uitbouwen en omwallen. Die nieuwkomers waren Karaïeten. Het waren leden van een joodse sekte die eeuwen voordien was ontstaan in het Midden Oosten. Als Zonen van de Schift leefden ze strikt volgens de leer van de Hebreeuwse Bijbel en verwierpen ze de latere commentaren van joodse rabbijnen. Een wereldvreemde gemeenschap die zich uiteindelijk terugtrok op eenzame hoogte op de Krim en het Turks van de Krimtataren ging spreken. Toen Bachtsjisaraj de hoofdplaats van de Krimtataren werd, bleven enkel de Karaïeten achter op Tsjoefoet Kale. 

Ik loop door de rotsholen bij de toegang tot de vesting. Een eind verder op het plateau ligt een goed bewaard gebedshuis. Een nauwe opening in de buitenmuur leidt naar het overschaduwde voorhof. De afgesloten kenassa of synagoge hurkt onder een laag pannendak, het droge kraken van het houtwerk is het enige geluid dat knaagt aan de stilte. Achter de stenen boog die verderop de weg overspant staat een gerestaureerd woonhuis. De natuurstenen muren omsluiten een binnenplaats waar klimplanten de hitte trotseren. Het is het landhuis van de Karaïetische geleerde Abraham Firkovich.
   Firkovich was afkomstig uit het noordwesten van Oekraïne. Hij reisde rond en verzamelde manuscripten en inscripties op grafstenen. Met zijn rijke collectie wilde hij bewijzen dat de Karaïeten afstamden van Israëlieten die voor onze tijdrekening naar de Krim waren gekomen. Ze hadden geen schuld aan de kruisdood van Christus. Dat klonk goed in tsaristisch Rusland, waar de joden moesten wonen in afgebakende regio’s en geregeld het slachtoffer werden van plunderingen en moordpartijen. Onder Russisch bewind op de Krim mochten de Karaïeten zich vrij vestigen waar ze wilden. En dat deden ze ook. In de late negentiende eeuw bleef er op Tsjoefoet Kale slechts een kleine groep over rond de oude synagoge. Eén van hen was Abraham Firkovich, die zijn laatste dagen sleet in het landhuis op het plateau. Ver van de wereld, in de naglans van wat al voorbij was.

Image
Begraafplaats van de Karaieten aan de voet van de Jodenrots

De rotswanden van Tsjoefoet Kale glanzen okerkleurig in het late licht. Ik loop  naar beneden, naar het bos in de vallei. Schuine stralen vallen door het gebladerte. Met mos begroeide steenblokken, sommige rechtop met de Hebreeuwse inscripties nog intact, andere gekanteld of verbrokkeld, liggen overal verspreid tussen de bomen. Niet te tellen zijn ze, de grafzerken van talloze generaties Karaïeten die hier hun laatste rustplaats hebben gekregen. Geen zuchtje wind, geen tak die kraakt. Het is doodstil, echt niet de plek om helemaal alleen te verdwalen in de avondschemering.

Wie waren ze, de mensen die in dit bos onder de rotsvesting tot stof en as zijn vergaan? Ze wilden zuiver in de leer zijn, trouw blijven aan aloud jodendom zonder rabbijnen. Maar net daardoor waren ze anders en werden ze door de buitenwereld bekeken als volk dat verschilde van gewone joden. Zo zagen de Russen hen. Het werd pas echt tragische ironie toen de Duitsers kwamen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Onder de Duitse bezetting werden de joden op de Krim uitgemoord. De kleine Karaïetische gemeenschap bleef eerst nog gespaard. Nazistische studies in Berlijn hadden uitgewezen dat de Karaïeten afstamden van raszuiver nomadenvolk aan de Zwarte Zee dat enkel het joodse geloof had overgenomen. Maar Berlijn lag ver van de Krim. Uiteindelijk werd ook een groot aantal Karaïeten weggevoerd en omgebracht. De laatste nazaten, enkele honderden die hun religieuze tradities en hun Turkse taal proberen te behouden, zijn restgroepjes in grotere stedelijke centra als Simferopol. Ik loop terug over het pad onder het rotsplateau. Tsjoefoet Kale ligt er verlaten bij. In het bos achter me dooft het schemerlicht tussen de graven.

Mediteren op de Mangup

‘Your car no good for Mangup,’ zegt hij als ik mijn huurauto parkeer. Hij stelt zich voor: Joeri, een geblokte Rus met kaalgeschoren kop. Hij wijst naar zijn terreinwagen  aan de oever van het meertje in het komvormige dal. Zijn landrover is het enige transport dat de tocht naar boven aankan. Aan de overkant van het water rijzen de rotswanden van het massieve bergplateau torenhoog op. We vertrekken. De landrover rijdt over een zandpiste en slingert dan stapvoets hoger door het bos. De vering kreunt, in de bochten schuren stenen tegen het chassis. Geen probleem volgens Joeri. We komen uit het bos en stappen uit. ‘Mangup,’ zegt Joeri met een weids gebaar naar het bergplateau dat zich voor me uitstrekt als een gigantische handpalm. De vier vingers ervan zijn rotskapen, van elkaar gescheiden door diepe kloven. Mangup in de zuidwestelijke uitlopers van het kustgebergte, mijn verste bestemming op de Krim.
   Joeri praat met de twee bewakers die onder een takkenhut zitten te kaarten. Ze steken sigaretten op, de jongste bewaker haalt een fles wodka boven. Ik vind het wonderlijk. Ooit zaten hier anderen die wijn dronken en een haast Vlaams klinkend Germaans spraken. En als het later anders was gelopen, had het trio dat me nastaart nu korte leren broeken en Tirolerhoeden gedragen. Ik loop langs de ruïne van de citadel die is opgenomen in de verdedigingsmuur. De hele tafelberg is omwald, imposante muren, kilometers lang langs de steile rotswanden.

Image
Mangup Kale - het laatste toevluchtsoord van de Krimgoten

In de zesde eeuw was Mangup een versterkte buitenpost van het Byzantijnse Rijk. Er ontstond een nederzetting die Doros werd genoemd. De bevolking ervan sprak Grieks en ging aan wijnbouw doen. Bij de rand van het plateau ligt een groot stenen bekken met afvoergeul, het is een wijnpers die in de rots is uitgehouwen. Het middengedeelte van de tafelberg is overwoekerd met doornstruiken en hoog opgeschoten steppegras. In de vijftiende eeuw kende Mangup zijn grootste bloei. De dichtbevolkte stad heette toen Theodoro en vorst Alexis breidde ze uit met grootse bouwwerken. Van zijn paleis in Byzantijnse stijl zijn enkel de brokstukken van het grondvlak overgebleven. Een eind verderop, half verdoken in het struikgewas, ligt de ruïne van een duizendjarige basiliek.
   Het Byzantijnse Rijk ging ten onder toen de Turken midden vijftiende eeuw Constantinopel innamen. Twee decennia later, na een belegering van vijf maanden, veroverden de Turken de stad Theodoro op de Mangupberg. Het was het laatste restant van Byzantium dat hier verdween.Verloren moeite, verloren tijd, geschiedenis.
   Bij het uiteinde van de buitenste rotskaap zitten twee Russische bezoekers met hun rug naar het plateau. Hij met bloot bovenlijf, zij in een zwart topje naast hem. Ze zitten daar onbeweeglijk in lotushouding te staren naar het overweldigende panorama dat zich voor hen uitstrekt tot aan de verre einder. Kan dat enige zin geven aan de zekerheid dat ze niet meer zijn dan nietige figuren op de rand van de afgrond? 

Mangup maakt de mensen klein, ze verdwijnen in het landschap. Ik denk aan de Krimgoten. Dat vreemde volk dat hier heeft geleefd en niet meer dan wat woorden naliet die op goed geluk werden opgetekend. Het waren uit het noorden van Europa afkomstige Goten die zich hadden afgesplitst van hun stamgenoten en naar de Krim trokken. Omstreeks de derde eeuw van onze tijdrekening vestigden ze zich op Mangup. Ze bekeerden zich tot het Byzantijnse christendom, ze namen het Grieks over als cultuurtaal en behielden het Gotisch als spreektaal. De basiliek op het bergplateau was de hoofdkerk van hun bisdom dat Gotia werd genoemd. Ze leefden als halve Grieken op het bergplateau, ze gingen op in het landschap en in de grotere Byzantijnse cultuurwereld.

Image
Ogier Van Boesbeke
Een Vlaming wilde meer over hen te weten komen. De humanist Ogier van Boesbeke, afkomstig uit de grensstreek van West-Vlaanderen met Frankrijk, werd midden zestiende eeuw als ambassadeur van keizer Ferdinand van Oostenrijk naar Turkije gezonden. Tijdens zijn verblijf in Istanbul vernam hij dat er twee gezanten van de Krimgoten in de stad waren aangekomen. Hij nodigde hen uit voor een maaltijd met gesprek. Hoe dat onderhoud verliep beschreef hij nadien in de vierde brief van zijn reisverslag uit 1589. De grootste bezoeker zag eruit ‘als een Vlaming of een Hollander’, de kleinere leek met zijn donkere huidskleur meer op een Griek. Boesbeke noteerde een honderdtal woorden in het Krimgotisch, hun Germaanse moedertaal. Dat ging moeizaam. Degene met het Griekse uiterlijk beheerste de taal nog vrij behoorlijk, maar de andere bezoeker die er zo Vlaams uitzag ‘was door voortdurend contact met Grieken de taal van zijn eigen volk vergeten.’ Boesbeke verzamelde een kleine woordenschat, waarmee je net tot tien kon tellen. Ita, tua, tria, fider, fuf, seis, sevene, athe, nine, thine in het Krimgotisch. De hele woordenlijst is later voer voor taalkundigen geworden die er geleerde studies over schreven.

De Krimgoten zijn verdwenen, ze hebben lang geleden hun beste tijd gehad op de Krim. Nog één keer zijn ze misbruikt om etnische onzin te rechtvaardigen. In 1941 bezetten Duitse troepen de Krim. De nazi’s veranderden de naam van het schiereiland, het zou voortaan Nieuw Gotenland heten, en ze werkten het Gotlandplan uit. Volgens dat plan was de Krim Germaanse erfgrond die eeuwen geleden in bezit was genomen door de Goten. De Krimgoten waren er niet meer, de Duitsers van Zuid-Tirol moesten de Krim dan maar gaan koloniseren. Wat de Zuid-Tirolers daarvan dachten is niet geweten en een paar jaren later waren de Duitse bezetters van de Krim al blij als ze heelhuids wegraakten uit de greep van het Russische Rode Leger. Er zijn blijkbaar toch grenzen aan de waanzin.

Joeri staat me met de bewakers op te wachten bij de landrover. De speelkaarten liggen op het houtblok onder de takkenhut, de lege wodkafles staat tegen een oud benzineblik met afval. Niemand draagt een Tirolerhoed. We rijden terug door het bos naar beneden. De landrover schudt en slingert alle kanten op. Ik moet hard roepen om me verstaanbaar te maken. Weet hij eigenlijk wie er woonde op Mangup? ‘Greek people, long ago,’ schreeuwt Joeri, ‘but now all of it Russian.’ Natuurlijk, de Krim is Russisch. Van Krimgoten heeft hij nooit gehoord. Ita tua tria en nog wat vreemde klanken, veel meer dan dat hebben ze ook niet nagelaten.

Image
Museumhuis van de dichter Volosjin in Koktebel

Wie is heer en meester op de Krim? De Russische dichter-schilder Maximilian Volosjin zocht in 1917 het antwoord in de baai van Koktebel ten westen van Feodosia. Het was de tijd van de Russische revolutie, de burgeroorlog tussen de Roden en de Witten verwoestte het land. Volosjin trok zich terug op de Krim in Koktebel, de kust van de blauwe heuvels. Hij had daar een lap grond, hij bouwde er zijn datsja en anderen volgden zijn voorbeeld. Zo ontstond de kunstenaarskolonie van Koktebel aan de voet van de uitgedoofde vulkaan Kara Dag, de Zwarte Berg. Het waren artistieke bohémiens die in die uithoek van Sovjet-Rusland een vrijere kust zochten. Ze zaten aan het strand, ze hielden literaire avonden, ze dronken cognac en donkerrode wijn afkomstig van de wijngaarden van Koktebel. Hun datsja’s op oude foto’s zijn enkele witte vlekken met donkere bergruggen op de achtergrond. De afdrukken van hun blote voeten in het zand zijn al lang uitgewist.

Volosjin schilderde de kust en het gebergte in felle kleuren. Een aantal van zijn schilderijen zijn bewaard gebleven in het Volosjin Museumhuis in Koktebel. Men vindt er ook afbeeldingen van Volosjin. Ruw gebeitelde kop met bolle baard en warrige haardos. Oude Krimtataren die rond de baai van Koktebel woonden, vonden dat zijn profiel sterk leek op een rotsformatie van de Kara Dag. Die rots stond sindsdien bekend als Volosjins Rots. Hij vond het een grote eer dat hij deel werd van de Zwarte Berg. Hij wist wie heer en meester was op de Krim: ‘Ga naar het dakterras, buig naar de vier windstreken, open handen uitgestrekt. Zon, water, wolken, licht. Al wat schoonheid is op deze wereld.’ De eerste strofe van een gedicht van hem uit 1924. Volosjin stierf acht jaar later. Zijn grafsteen ligt op een hoge heuvel met uitzicht op de baai van Koktebel. Hij kijkt naar zijn spiegelbeeld. Zon, water, wolken, licht.     
          
Het tafelblad is nat van de dauw, de eerste herfsttinten kleuren de binnentuin van het pension in Feododia. Raisa schenkt verse koffie in. Ze is blij, zegt ze, dat ik terug ben van mijn tocht langs de zuidkust. Vanuit zee komen zware wolken aandrijven. De eerste regendruppels plenzen neer op de ontbijttafel. Raisa kijkt op. ‘Zomer wordt klein’ zegt ze, ‘mensen gaan, Krim blijft.’ Zo is dat. Mensen komen en gaan, de Krim blijft. Ik heb er verder niets aan toe te voegen.     

Tekst en illustraties - A Thiry